boteren

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • bo·te·ren
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
boteren
boterde
geboterd
zwak -d volledig

Werkwoord

boteren

  1. gelukken
    • Het boterde goed tussen de collega's op de afdeling 
    • Het boterde niet goed tussen de zussen, ze hadden altijd ruzie .
     Hoewel het nooit op een directe manier ter sprake was gekomen, had Chantal het idee dat het tussen Tineke en haar oudste dochter niet echt boterde. Ze vermeed de blik die haar schoonmoeder haar toewierp.[1]
  2. met boter besmeren
    • De moeder had de boterhammen van haar kinderen dik beboterd. 

Gangbaarheid

97 % van de Nederlanders;
94 % van de Vlamingen.[2]

Verwijzingen

  1. Suzanne Vermeer op WikipediaAll-inclusive” op Wikipedia (2006), A. W. Bruna Uitgevers B. V. , Utrecht, ISBN 90-229-9182-2
  2. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be