boots

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • boots
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Engels, in de betekenis van ‘laarzen’ voor het eerst aangetroffen in 1984 [1]
  • enk: verkorting van bootsman
  • mv: boot met de uitgang -s [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord boots bootsen
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

boots m

  1. (scheepvaart) benaming voor verschillende functies waarin leiding wordt gegeven aan een deel van de bemanning van een schip

Zelfstandig naamwoord

boots mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord boot (schoeisel)

Werkwoord

vervoeging van
bootsen

boots

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van bootsen
    • Ik boots. 
  2. gebiedende wijs van bootsen
    • Boots! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van bootsen
    • Boots je? 

Gangbaarheid

71 % van de Nederlanders;
67 % van de Vlamingen.

Verwijzingen


Engels

Uitspraak

Zelfstandig naamwoord

boots mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord boot