boort

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • boort
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord boort
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

boort o

  1. afval bij het slijpen van diamanten, dat fijngestampt weer als slijppoeder gebruikt kan worden
    • Hij duwde een deur open en het machine-geraas der zaal kletterde vol op hem toe, egaal, dof van kreuning, behamerd door 't metalen geklik van een mortier, waarin 'n potjongen boort stampte. [3]
Synoniemen
Afgeleide begrippen

Werkwoord

vervoeging van
boren

boort

  1. tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van boren
    • Jij boort. 
  2. derde persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van boren
    • Hij boort. 
  3. (verouderd) gebiedende wijs meervoud van boren
    • Boort! 

Gangbaarheid

83 % van de Nederlanders;
62 % van de Vlamingen.[4]

Verwijzingen