boomstronk

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken
Een boomstronk.

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • boom·stronk
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord boomstronk boomstronken
verkleinwoord boomstronkje boomstronkjes

Zelfstandig naamwoord

boomstronk m

  1. (plantkunde) (afgezaagde) stam van een boom
    In het bos moesten we steeds over boomstronken heen stappen.