boogscheut

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • boog·scheut
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord boogscheut boogscheuten
verkleinwoord boogscheutje boogscheutjes

Zelfstandig naamwoord

boogscheut m

  1. (figuurlijk) (België) een kleine afstand (die met een schot van een boog is te overbruggen)
    • Dat is het knappe, om je eigen opvatting niet direct het zicht te laten benemen op wat er gebeurt. Tweede vrouwen zijn meer vriendin, eerste eerder de moeder van de man. Het voordeel van polygamie is dat je in periodes dat je niet aan de beurt bent, er lekker veel tijd voor jezelf overblijft. Ook de opvattingen van het orthodox-christelijke bruidspaar op Urk („slechts een boogscheut verwijderd”), verbaasden de filmmaker. Ook hier is feitelijk sprake van een huwelijk met meerdere partners, want je trouwt ook altijd met God en die verhouding is de belangrijkste.[1] 

Gangbaarheid

30 % van de Nederlanders;
95 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. NRC Hans Beerekamp 3 juni 2016