bonze

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • bon·ze
Woordherkomst en -opbouw
  • zn: van Japans 坊主 (bōzu) / 房主 (bō-nushi) [1]
    • [1] via Frans bonze, in de betekenis van ‘Japanse boeddhistische priester’ aangetroffen vanaf het jaar 1824 [2]
    • [2] via Duits Bonze, in de betekenis van ‘invloedrijk persoon, partijbons’ aangetroffen vanaf het jaar 1830 [2]
  • ww: van  bons ww  met de uitgang -e, waarbij de sisklank weer stemhebbend wordt zodat de s in een z verandert
enkelvoud meervoud
naamwoord bonze bonzen
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

bonze m

  1. overste van een boeddhistische tempel, ook de priester of monnik
  2. (informeel) baas, bobo

Werkwoord

vervoeging van
bonzen

bonze

  1. aanvoegende wijs van bonzen

Gangbaarheid

Verwijzingen