bonksel

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • bonk·sel
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord bonksel bonksels
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

bonksel v

  1. bovenste korst van een veen dat men eerst moet afgraven voordat men kan turfsteken
Synoniemen

Gangbaarheid

26 % van de Nederlanders;
24 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be