bonkerig

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • bon·ke·rig
Woordherkomst en -opbouw
  • afleiding van bonk met het achtervoegsel -erig
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen bonkerig bonkeriger bonkerigst
verbogen bonkerige bonkerigere bonkerigste
partitief bonkerigs bonkerigers -

Bijvoeglijk naamwoord

bonkerig [1]

  1. grof, stotend, weinig soepel
    • Bas van Putten vindt dat de SsangYong Rexton Sapphire uitstekend rijdt; wat bonkerig op verkeersdrempels, maar alleszins beschaafd. [2] 
    • Mijn testauto maakt best een degelijke indruk. Op de beroerd onderhouden highways is het onderstel een beetje bonkerig en er zit een vaag rateltje achter de ventilatiesleuf, maar er lazert geen bumper af en de afwerking is meer dan aanvaardbaar. [3] 
  2. ruw, niet glad, niet egaal
    • Eerder draaide Dawn om de kleinere en bonkigere planetoïde Vesta. Die bleek verrassend veel waterijs te bevatten, waardoor het oppervlak relatief zacht was en veel kraterwanden verzakt waren. Bij Ceres bevat de korst juist heel weinig water. In Science schrijven de Dawn-onderzoekers nu dat ze maar op één plek water aan de oppervlakte hebben gevonden, in de krater Oxo. [4] 

Gangbaarheid

86 % van de Nederlanders;
77 % van de Vlamingen.


Verwijzingen