bomma

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

kinderen bij bomma aan de keukentafel
Uitspraak
Woordafbreking
  • bom·ma
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord bomma bomma's
verkleinwoord bommaatje bommaatjes

Zelfstandig naamwoord

bomma v

  1. de moeder van je vader of moeder
    • Een altijd goedgemutste bomma, schat van een mens, maar net zoals mijn andere grootouders afkomstig uit een andere tijd, toen thuiswerkende moeders hun kinderen nog op internaat stuurden omdat ze anders in de weg liepen. Kinderen werden toen nog niet doodgeknuffeld, wellicht dachten de mensen toen dat een warm nest er kasplantjes van zou maken. Ik was wel altijd blij toen ik mijn grootouders zag, maar ik miste ze nauwelijks toen ze doodgingen. Mijn ouders, díé zal ik missen als ze dood zijn. [1] 
    • U blijft natuurlijk ook ondernemer. Dat ‘koken zoals de bomma’ en ‘met gezond verstand’ waarmee uw nieuwe kookboek weer wordt gepresenteerd, dat is een helder commerciële identiteit. Duidelijk gepositioneerd tegenover de concurrentie. [2] 
Synoniemen
Hyponiemen
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

22 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen

  1. De Standaard 26 april 2018 Sire, er zijn geen bompa’s meer
  2. De Standaard 2 september 2017 ‘Ik wil nog wel eens iets doen in dit leven’