Naar inhoud springen

bombe

Uit WikiWoordenboek

Frans

Uitspraak
Woordherkomst en -opbouw
  • Ontleend aan Italiaans bomba bal, aangetroffen sinds de 17e eeuw. [1]
enkelvoud meervoud
zonder lidwoord met lidwoord zonder lidwoord met lidwoord
  bombe     la bombe     bombes     les bombes  

Zelfstandig naamwoord

bombe v

  1. (militair) bom [1], een explosief voorwerp
  2. (figuurlijk) schandaal of vervelend voorval (dat plotseling uitbreekt)
  3. spuitfles
  4. (hoofddeksel) kap, ronde deel van een hoofddeksel
  5. (paardrijden) cap, paardrijhelm
  6. (spreektaal) schranspartij, zuipfeest
    «On va faire la bombe ce soir.»
    We gaan vanavond lekker aan de zwier. [2]
  7. (spreektaal) lekker stuk
    «Vise un peu la gonzesse qui vient de rentrer, une bombe
    Kijk eens naar die griet die net is binnengekomen, wat een lekker stuk! [2]

Verwijzingen