bombardeer

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • bom·bar·deer

Werkwoord

vervoeging van
bombarderen

bombardeer

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van bombarderen
    • Ik bombardeer. 
  2. gebiedende wijs van bombarderen
    • Bombardeer! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van bombarderen
    • Bombardeer je?