boetiek

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

boetiek
Uitspraak
Woordafbreking
  • boe·tiek
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘winkel’ voor het eerst aangetroffen in 1847 [1]
  • afgeleid van het Franse boutique [2] [3]
enkelvoud meervoud
naamwoord boetiek boetieks
boetieken
verkleinwoord boetiekje boetiekjes

Zelfstandig naamwoord

boetiek v

  1. kleine winkel met modieuze artikelen (vaak een kledingwinkel)
    • Carnaby Street en Kings Road verwierven in de jaren 60 wereldwijde bekendheid als een 'hippe' winkelstraat, waar zich vooral muziekwinkels en kledingboutiekjes bevonden. 
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen