boenen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • boe·nen
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
boenen
boende
geboend
zwak -d volledig

Werkwoord

boenen

  1. met een boender en water schrobben.
    • De tegels glansden nadat ze met zeepsop geboend waren. 
  2. in de was zetten en glanzend wrijven
    • De buurman staat de hele dag zijn auto te boenen. 
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie