boeiing

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • boei·ing
enkelvoud meervoud
naamwoord boeiing boeiingen
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

boeiing v

  1. (scheepvaart) bovenste rand van de zijkant van het schip
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

62 % van de Nederlanders;
73 % van de Vlamingen.[1]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be