boegseren

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
1. voortslepen door een ander schip

Nederlands

Uitspraak
naamwoord van handeling
zelfstandig bijvoeglijk
boegseren boegserend
boegsering


Woordafbreking
  • boeg·se·ren
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Portugees, in de betekenis van ‘met sloepen voorttrekken’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1599 [1]
  • vermoedelijk van Portugees  puxar ww  "trekken, slepen", onder invloed van boeg en met het achtervoegsel -eren [2][3]
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
boegseren
boegseerde
geboegseerd
zwak -d volledig

Werkwoord

boegseren

  1. overgankelijk (scheepvaart) voortslepen door een of meer (andere) schepen
    • We lichtten meteen ons anker en wilden onder zeil gaan. Maar toen het licht werd en wij bezig waren het schip naar zee te boegseren, verschenen de Spekken boven op de klippen en schoten van boven af op het schip en op de sloep, zodat het daar nauwelijks uit te houden was. [4]
  2. overgankelijk (verouderd) (figuurlijk) behoedzaam naar een gewenste situatie leiden
    • Zoo vaak ergens een zwak en onbeduidend miniatuurtalent ontluikt, beijvert zich Hamerling het door zijne voorspraak te boegseren; of ook wel het te dekken met eene tegen de pijlen der kritiek beschermende voorrede, bij wijze van schild. [5]
Afgeleide begrippen
Afgeleide begrippen
Overerving en ontlening
Vertalingen

Gangbaarheid

8 % van de Nederlanders;
5 % van de Vlamingen.

Verwijzingen