bodelen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Middelnederlands

stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden tijd voltooid
deelwoord
enkelvoud meervoud
bodelen bodelde bodelden ghebodelt
  volledig  

Werkwoord

bodelen

  1. afbeulen, mishandelen
  2. doorsteken, doden
    «Ende syt nu niet vervart, bodelt al, man ende pard.»
    En wees nu niet bevreesd, doodt ze allen, man en paard.