bobbeling

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • bob·be·ling
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord bobbeling bobbelingen
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

bobbeling v [1]

  1. opborreling, opbruising
  2. ronde zwelling

Gangbaarheid

55 % van de Nederlanders;
38 % van de Vlamingen.


Verwijzingen