blozen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Blozen.

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • blo·zen
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘rood worden’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1290 [1]
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
blozen
bloosde
gebloosd
zwak -d volledig

Werkwoord

blozen

  1. inergatief rood worden in het gezicht, bijvoorbeeld van verlegenheid of schaamte
    • - Toen zij haar naam hoorde en duidelijk werd dat ze ten voorbeeld gehouden werd, bloosde zij. 
    • - Het blozende meisje kreeg een blos op haar wangen. 
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen