blonderen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • blon·de·ren
Woordherkomst en -opbouw

Werkwoord

blonderen [1]

stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
blonderen
blondeerde
geblondeerd
zwak -d volledig
  1. het kunstmatig blonder maken van het haar met waterstofperoxide
    • Na de middelbare school studeerde ze eerst in Amerika en daarna in Amsterdam. Psychologie, net zoals haar ouders. En toen kwam Japan langs, als mogelijkheid. Een campus even buiten Hiroshima, een universiteit middenin de rijstvelden. „Studenten in Japan hebben heel veel vrij. Steeds dacht ik, huh, alweer vakantie? Tot de middelbare school is het leven voor Japanners hel. En als ze eenmaal werken weer. Alleen de vier jaar aan de universiteit kunnen ze los. Nemen ze ineens gekleurde lenzen, blonderen hun haar, luisteren heftige muziek.” Ze steekt een voet boven tafel. Een platte mannenschoen, bedrukt met figuurtjes. „Vinden Japanners heel mooi.”[2] 
    • De Beijer kreeg de opdracht om een beeld te maken met een actueel thema: de bezuinigingen op kunst, de linkse hobby. „Wilders is een groot voorstander van de bezuinigen op kunst. Verder hoor je hem eigenlijk nooit over kunst. Ik vraag me überhaupt af of hij thuis kunst heeft hangen.” Zo kwam hij ertoe te kiezen voor de PVV-politicus. Bovendien doet Wilders door het blonderen van zijn haar ook aan beeldmanipulatie, zegt De Beijer. „Wilders is erg bezig met zijn uiterlijk en doet vaag over zijn achtergrond. Hij heeft wortels in Indonesië en heeft gewoond in een Kibboets in Israël, maar daar hoor je hem eigenlijk nooit over.” [3] 

Gangbaarheid

97 % van de Nederlanders;
92 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. NRC Rinskje Koelewijn 18 juni 2016
  3. NRC Yasmina Aboutaleb 3 maart 2011