blokker

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • blok·ker
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord blokker blokkers
verkleinwoord blokkertje blokkertjes

Zelfstandig naamwoord

blokker m

  1. iemand die hard studeert.
    • Hij was een echte blokker die al weken voor zijn examen heel hard aan het studeren is. 
  2. verkorting van blokkeerder.
    • Hij gebruikte bèta-blokkers tegen hoge bloeddruk. 
Hyponiemen
Afgeleide begrippen

Gangbaarheid

95 % van de Nederlanders;
96 % van de Vlamingen.[1]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be