Naar inhoud springen

blindheid

Uit WikiWoordenboek
  • blind·heid
enkelvoud meervoud
naamwoord blindheid blindheden
verkleinwoord

deblindheidv

  1. een toestand waarin men niet in staat is te zien
    • Deze ziekte leidt tot blindheid. 
     Voorbeelden daarvan zijn lawaaibeschadiging van het gehoor en sneeuwblindheid of blindheid door laserlicht van het oog.[1]
  2. (figuurlijk) het een overduidelijke waarheid niet kunnen of willen zien of erkennen
     ' Het gevaar bestaat dat het nakende jaar 2000 bij veel individuen en groepen opnieuw een utopische blindheid gaat veroorzaken.[2]
     De selectieve blindheid van de fellow-traveller komt hierbij goed van pas.[2]
     'Meneer, het zou kunnen dat ik inderdaad iets heb vernomen van de geruchten waar u op zinspeelt. Maar als die verhalen kloppen, zou er mijns inziens sprake zijn van een plaag van blindheid. Prins Henry zou toch blind hebben moeten zijn om zijn aanbedene niet te herkennen, of om een lelijk meisje aan te zien voor een ongeëvenaarde schoonheid? En mijn dochters zouden wel blind hebben moeten zijn voor hun spiegelbeeld en voor de blik in de ogen van degenen die hen aankijken...'[3]
  • Met blindheid geslagen zijn
99 %van de Nederlanders;
98 %van de Vlamingen.[4]
  1. Louw Feenstra V
    “Zintuigen” (2016), Amsterdam University Press op Wikipedia, ISBN 9789048529421
  2. 1 2
    Hans Achterhuis
    “De erfenis van de utopie” (1998), Ambo/Anthos uitgevers op Wikipedia, ISBN 9026315244
  3. Danielle Teller (vert. Marja Borg)
    “Er was eens iets anders” (2018), Ambo/Anthos uitgevers op Wikipedia, ISBN 9789026346477
  4. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be