blikopener

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

blikopener
Uitspraak
Woordafbreking
  • blik·ope·ner
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord blikopener blikopeners
verkleinwoord blikopenertje blikopenertjes

Zelfstandig naamwoord

blikopener m

  1. (huishouden) (gereedschap) een stuk gereedschap voor het openen van blikken
    • Het concervenblik was uitgevonden voordat er een blikopener was. 
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie