blijkbaar

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • blijk·baar
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen blijkbaar blijkbaarder blijkbaarst
verbogen blijkbare blijkbaardere blijkbaarste
partitief blijkbaars blijkbaarders -

Bijvoeglijk naamwoord

blijkbaar

  1. duidelijk
    • Dat was toch wel een blijkbare vergissing. 
     Halverwege kwam ons een Park Ranger tegemoet. Ik voelde een immense opluchting aangezien ik dacht dat we nu veilig waren. Maar dit gevoel duurde niet lang want na een kort praatje schreef hij opeens een officiële boete uit voor de hele groep omdat het blijkbaar verboden was om boven op Mount Whitney te overnachten.[2]
Vertalingen

Bijwoord

blijkbaar

  1. kennelijk
    • Zij heeft blijkbaar te veel gedronken. 

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[3]

Verwijzingen