blijkbaar

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • blijk·baar
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen blijkbaar blijkbaarder blijkbaarst
verbogen blijkbare blijkbaardere blijkbaarste
partitief blijkbaars blijkbaarders -

Bijvoeglijk naamwoord

blijkbaar

  1. duidelijk
    • Dat was toch wel een blijkbare vergissing. 
Vertalingen

Bijwoord

blijkbaar

  1. kennelijk
    • Zij heeft blijkbaar te veel gedronken. 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Verwijzingen