Naar inhoud springen

blijk

Uit WikiWoordenboek
  • blijk
enkelvoud meervoud
naamwoord blijk blijken
verkleinwoord blijkje blijkjes

hetblijko

  1. een teken waaruit iets blijkt, bijvoorbeeld deelname
    • Hij zond bloemen als blijk van zijn betrokkenheid. 
    • Als blijk van vertrouwen mocht ik zijn auto lenen. 
     'En de beren dan?' riep hij, blijk gevend van meedogenloze kinderlogica.[1]
     Volgens president Gerald Barney beginnen de wereldreligies elkaar in dit kader bijna te beconcurreren om als eerste van hun zorg voor het milieu in het komende millennium blijk te kunnen geven.[2]
  • blijk geven van
iets laten merken
vervoeging van
blijken

blijk

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van blijken
    • Ik blijk. 
  2. gebiedende wijs van blijken
    • Blijk! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van blijken
    • Blijk je? 
98 %van de Nederlanders;
98 %van de Vlamingen.[3]
  1. Kruistocht in spijkerbroek” op Wikipedia (1973), Lemniscaat (uitgeverij), ISBN 9789060691670
  2. Hans Achterhuis
    “De erfenis van de utopie” (1998), Ambo/Anthos uitgevers op Wikipedia, ISBN 9026315244
  3. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be