blijk
Uiterlijk
- blijk
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | blijk | blijken |
| verkleinwoord | blijkje | blijkjes |
het blijk o
- een teken waaruit iets blijkt, bijvoorbeeld deelname
- Hij zond bloemen als blijk van zijn betrokkenheid.
- Als blijk van vertrouwen mocht ik zijn auto lenen.
- ▸ 'En de beren dan?' riep hij, blijk gevend van meedogenloze kinderlogica.[1]
- ▸ Volgens president Gerald Barney beginnen de wereldreligies elkaar in dit kader bijna te beconcurreren om als eerste van hun zorg voor het milieu in het komende millennium blijk te kunnen geven.[2]
- blijk geven van
iets laten merken
| vervoeging van |
|---|
| blijken |
blijk
- Het woord blijk staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- In onderzoek uit 2013 van het Centrum voor Leesonderzoek werd "blijk" herkend door:
| 98 % | van de Nederlanders; |
| 98 % | van de Vlamingen.[3] |
- ↑ “Kruistocht in spijkerbroek”
(1973), Lemniscaat (uitgeverij), ISBN 9789060691670 - ↑ Hans Achterhuis“De erfenis van de utopie” (1998), Ambo/Anthos uitgevers
, ISBN 9026315244 - ↑
Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be
Categorieën:
- Woorden in het Nederlands
- Woorden in het Nederlands van lengte 5
- Woorden in het Nederlands met audioweergave
- Woorden met 2 lettergrepen in het Nederlands
- Woorden in het Nederlands met IPA-weergave
- Zelfstandig naamwoord in het Nederlands
- Werkwoordsvorm in het Nederlands
- Woordenlijst Nederlandse Taal
- Prevalentie Nederland 98 %
- Prevalentie Vlaanderen 98 %