blijk

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • blijk
enkelvoud meervoud
naamwoord blijk blijken
verkleinwoord blijkje blijkjes

Zelfstandig naamwoord

blijk o

  1. een teken waaruit iets blijkt, bijvoorbeeld deelname
    • Hij zond bloemen als blijk van zijn betrokkenheid. 
    • Als blijk van vertrouwen mocht ik zijn auto lenen. 
Synoniemen
Verwante begrippen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
  • blijk geven van
iets laten merken
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
blijken

blijk

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van blijken
    • Ik blijk. 
  2. gebiedende wijs van blijken
    • Blijk! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van blijken
    • Blijk je? 

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.