blesseren

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • bles·se·ren
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
blesseren
blesseerde
geblesseerd
zwak -d volledig

Werkwoord

blesseren

  1. overgankelijk lichamelijk letsel toebrengen
    • De ongelukkige botsing van de twee spelers blesseerde hen beiden. 
  2. wederkerend lichamelijk letsel oplopen
    • Hij heeft zich in de wedstrijd lelijk geblesseerd. 
Opmerkingen
  1. Lijdende vormen met worden zijn zeldzaam; meestal wordt gekozen voor een ergatieve constructie met raken
    • Beide spelers raakten geblesseerd. 

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.