blesser
Uiterlijk
- via Oudfrans blecier, blecer van een Gallo-Romeinse vorm *blettiare "kneuzen" van een Oudfrankisch zelfstandig naamwoord dat overeenkomt met Oudhoogduits bleizza "blauwe plek, kneuzing" [1]
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| infinitief | verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| blesser |
blessais |
blessé |
| eerste groep | volledig | |
blesser
- overgankelijk verwonden, pijn doen, blesseren [1]; kwetsen
- wederkerend se blesser: zich blesseren [2]; pijn hebben aan; gewond raken aan
- «Je me suis blessé la main.»
- Ik ben aan mijn hand gewond geraakt.
- «Je me suis blessé la main.»
- ↑ blesser (Etymologie) in: Le Trésor de la Langue Française informatisé (1971-1994)
op de website cnrtl.fr
.