bleeder

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • blee·der
Woordherkomst en -opbouw
  • [1] uit het Engels
  • [2] Surinaams-Nederlands
enkelvoud meervoud
naamwoord bleeder bleeders
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

bleeder m

  1. (economie) verliesgevende onderneming
     Het magazine was echter altíjd al een bleeder. Treurige conclusie: de producenten van hippe vrouwenspullen geloven nog steeds niet dat de gemiddelde Volkskrant-lezeres géén verstoft PvdA-lid is.[1]
     De bestuurders van het imperium, veelal zetbazen van de grootaandeelhouder, probeerden het tij wel te keren, maar waren daarmee niet bepaald ‘gelukkig’. Hyves, Moviebytes, Nobiles: de meeste investeringen in nieuwe media bleken regelrechte bleeders. Alleen al op Hyves verloor TMG zo’n 40 miljoen euro.[2]
  2. (beroep) iemand die balata (rubbersoort) wint en verkoopt

Gangbaarheid

Verwijzingen

  1. Bronlink Weblink bron “Volkskrant magazine zoekt nieuwe redder” (21/10/2011), HP de Tijd
  2. Bronlink Weblink bron Jan Smit “Slaap lekker, hoeders van de Krant van wakker Nederland!” (22/03/2017), HP de Tijd