blauwbekte

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • blauw·bek·te

Werkwoord

vervoeging van
blauwbekken

blauwbekte

  1. enkelvoud verleden tijd van blauwbekken
    • Ik blauwbekte. 
    • Jij blauwbekte. 
    • Hij, zij, het blauwbekte.