blaten

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • bla·ten
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
blaten
blaatte
geblaat
zwak -t volledig

Werkwoord

blaten

  1. (inergatief) (dierengeluid) het geluid van een schaap maken
    Het schaap stond in de wei te blaten.
  2. luid zeuren, mekkeren, blèren
    Op school leren we dat we ons moeten inspannen om ons een ambacht of vak, kennis of kunde eigen te maken. Velen doen dat en ontlenen daar uiteindelijk hun zelfvertrouwen aan. Tegelijkertijd zien ze iemand boven zich gesteld die beduidend minder van hun zaak of vak afweet. En tot hun afgrijzen zien ze zo iemand ook nog hoger de organisatie inschieten dan waar zij ooit terecht zullen komen. Dat zijn alfamensen. Uiteindelijk komen ze in alle gremia bovendrijven. Voor het overgrote deel incompetent, maar dat weten ze kundig te verbergen achter een keur van tactieken: blaten (Wiegel), bullebakken (Timmer), bokken (Kok), bluffen (Zalm), grijnzen (Rutte).[1]
Vertalingen
  1. Max Schulte NRC 30 mei 2015