blanse

Uit WikiWoordenboek

Pennsylvania-Duits

Uitspraak
Woordafbreking
  • blan·se
Woordherkomst en -opbouw
vervoeging
tegenwoordige tijd, aantonende wijs, bedrijvende vorm
hele vervoeging zie blanse/vervoeging
onbepaalde
wijs
blanse
verleden
tijd
(er) hot geblanst
voltooid
deelwoord
geblanst
enkelvoud meervoud
1e persoon ich blans mir / mer blanse
2e persoon du blanscht [1] dihr / der
dihr / der
dihr / der
ihr / er
ihr / er
nihr / ner
blanst
blanse
blanse
blanst
blanse
blanse
3e persoon er blanst sie blanse
sie blanst
es blanst

Werkwoord

blanse

  1. overgankelijk planten
    «In Abril blanse mir Grumbiere in unsre Gaarde.»
    In april planten we aardappelen in onze tuin.
Afgeleide begrippen
Opmerkingen

Verwijzingen

  1. Als de woordstam op een sisklank eindigt vervalt de sibilant [s].