blanc-bec
Uiterlijk
- blanc-·bec
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | blanc-bec | blanc-becs |
| verkleinwoord |
de blanc-bec m
- (persoon) (pejoratief) groentje, melkmuil, iemand die nog onervaren is in iets
- ▸ Om en bij Kerstmis was de stemming tusschen de marchesa en haar beide eerste dignitarissen dan ook verre van harmonisch, en een storm van bevel en vervloeking hagelde deze dagen neer op de ruggen der oude cameriera's, die, met hare warme waterketeltjes in de bevende handen, moeizaam de trappen op en neer krabbelden, en der jeugdige blanc-blecs van kellners, die in onbesuisden ijver tegen elkaar in draafden en borden braken.[2]
- Het woord 'blanc-bec' staat niet in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Taalunie.
- ↑ Bron: Van Dale
- ↑ “Langs lijnen van geleidelijkheid”
(1900), L.J. Veen
, p. 39
- verbinding van blanc en bec [1]
| enkelvoud | meervoud | ||
|---|---|---|---|
| zonder lidwoord | met lidwoord | zonder lidwoord | met lidwoord |
| blanc-bec | le blanc-bec | blancs-becs | les blancs-becs |
blanc-bec m
- ↑ blanc-bec (Etymologie) in: Le Trésor de la Langue Française informatisé (1971-1994)
op de website cnrtl.fr
.
Categorieën:
- Woorden in het Nederlands
- Woorden in het Nederlands van lengte 9
- Zelfstandig naamwoord in het Nederlands
- Persoon in het Nederlands
- Pejoratief in het Nederlands
- Niet in Woordenlijst Nederlandse Taal
- Woorden in het Frans
- Woorden in het Frans van lengte 9
- Woorden in het Frans met audioweergave
- Woorden in het Frans met IPA-weergave
- Frase in het Frans
- Zelfstandig naamwoord in het Frans
- Persoon in het Frans
- Figuurlijk in het Frans