blaam

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • blaam
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘smet’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1265 [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord blaam blamen
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

blaam v/m

  1. een slechte reputatie
    • - Je moet geen blaam op hem werpen. 
    • - Ons treft geen blaam, dus keur al ons werk maar goed. Dat is wat de commissarissen en bestuurders van Volkswagen de aandeelhouders vragen om volgende maand te doen. Maar daar denken aandeelhouders van de autofabrikant toch anders over.[2] 
Uitdrukkingen en gezegden
  • Mij treft geen blaam
mij valt niets te verwijten
Vertalingen

Gangbaarheid

97 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.

Verwijzingen