bivakkeren

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • bi·vak·ke·ren
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
bivakkeren
bivakkeerde
gebivakkeerd
zwak -d volledig

Werkwoord

bivakkeren

  1. inergatief in de open lucht een kamp hebben
    • De scouts bivakkeren iedere zomer in het bos. 
  2. ergens een tijdje verblijven vaak op een wat eenvoudige wijze
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
90 % van de Vlamingen.