bivak

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • bi·vak
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘legerplaats onder de blote hemel’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1824 [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord bivak bivakken
verkleinwoord bivakje bivakjes

Zelfstandig naamwoord

bivak o

  1. kampement voor een leger of expeditie
    • Zij sloegen een bivak op aan de voet van de berg. 
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen