biskop

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Jump to search
Een biskop.
Een bisschop.

Afrikaans

enkelvoud meervoud
naamwoord biskop biskoppe

Zelfstandig naamwoord

biskop

  1. (religie) bisschop
Afgeleide begrippen


Deens

Woordherkomst en -opbouw
  • Ontwikkeld uit het Oudnoorse biskup.

Zelfstandig naamwoord

biskop g

  1. (religie) bisschop


Fries

Zelfstandig naamwoord

biskop

  1. (religie) bisschop


Indonesisch

Woordafbreking
  • bis·kop
Woordherkomst en -opbouw

Zelfstandig naamwoord

biskop

  1. (religie) bisschop
  2. (spreektaal) bioscoop (officiële schrijfwijze: bioskop)
Synoniemen
Afgeleide begrippen


Maleis

Woordherkomst en -opbouw
  • Ontleend van het Engelse bishop.

Zelfstandig naamwoord

biskop

  1. (religie) bisschop
Verwante begrippen


Noors

Uitspraak
Woordafbreking
  • bis·kop
Woordherkomst en -opbouw
  • Afkomstig van het Oudnoorse naamwoord biskup.

Zelfstandig naamwoord

biskop m

  1. (religie) bisschop
    «Biskopene har en sentral stilling i Den katolske og de ortodokse kirker.»
    De bisschoppen hebben een centrale positie in de katholieke en orthodoxe kerken.
Verbuiging
  enkelvoud meervoud
onbepaald bepaald onbepaald bepaald
nominatief   biskop     biskopen     biskoper     biskopene  
genitief   biskops     biskopens     biskopers     biskopenes  
Synoniemen


Nynorsk

Uitspraak
Woordafbreking
  • bis·kop
Woordherkomst en -opbouw
  • Afkomstig van het Oudnoorse naamwoord biskup.

Zelfstandig naamwoord

biskop m

  1. (religie) bisschop
Verbuiging
  enkelvoud meervoud
onbepaald bepaald onbepaald bepaald
nominatief   biskop     biskopen     biskopar     biskopane  
genitief                
Synoniemen


Zweeds

Uitspraak
Woordherkomst en -opbouw
  • Ontwikkeld uit het Oudnoorse biskup.

Zelfstandig naamwoord

biskop g

  1. (religie) bisschop
Verbuiging
  enkelvoud meervoud
onbepaald bepaald onbepaald bepaald
nominatief   biskop     biskopen     biskopar     biskoparna  
genitief   biskops     biskopens     biskopars     biskoparnas