bisjaar

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • bis·jaar
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord bisjaar bisjaren
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

bisjaar o

  1. een school- of studiejaar dat men voor de tweede keer volgt omdat men is blijven zitten
    • Zittenblijven in het basisonderwijs heeft op vlak van studieresultaten minder gunstige effecten dan leerkrachten en ouders over het algemeen denken. Met uitzondering van het bisjaar verbeteren de schoolse prestaties immers niet. Dat stellen vier Leuvense onderzoekers (KUL) op basis van Vlaamse en internationaal onderzoek, in opdracht van het departement Onderwijs. [2] 
    • Een op de vier studenten erkent dat werken als jobstudent een negatieve impact heeft op zijn studies. Let dus goed op met het tijdstip waarop je moet werken, en het aantal uren dat je verwacht wordt. Als je aan je vakantiejob een bisjaar overhoudt, levert dat op termijn enkel verlies op. [3] 
    • Studenten die niet geslaagd zijn, krijgen aan de UGent nog steeds een tweede kans, al worden de regels verscherpt. Wie na een bisjaar wil verdergaan in zijn richting, moet voor 75 procent van de studiepunten geslaagd zijn. 'Dat cijfer is niet arbitrair gekozen', verduidelijkt de Gentse rector Anne De Paepe. 'Bissers die 75 procent halen, behalen in principe hun bachelordiploma. Het aantal mislukking onder de 70 procent is veel groter.' [4] 

Gangbaarheid

17 % van de Nederlanders;
89 % van de Vlamingen.

Verwijzingen