biscuitje

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • bis·cuit·je

Zelfstandig naamwoord

biscuitje o

  1. verkleinwoord enkelvoud van het zelfstandig naamwoord biscuit

Meer informatie

Gangbaarheid

97 % van de Nederlanders;
93 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be