biologieleraar
Uiterlijk
- Geluid: biologieleraar (hulp, bestand)
- IPA: / bijolo'ɣilerar / (6 lettergrepen)
- bio·lo·gie·le·raar
- samenstelling van biologie en leraar
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | biologieleraar | biologieleraars biologieleraren |
| verkleinwoord | biologieleraartje | biologieleraartjes |
de biologieleraar m
- (onderwijs) (beroep) een leraar die les geeft in het schoolvak van planten, dieren en het menselijk lichaam.
- aardrijkskundeleraar, economieleraar, geschiedenisleraar, godsdienstleraar, handvaardigheidleraar, informaticaleraar, muziekleraar, natuurkundeleraar, scheikundeleraar, sportleraar, techniekleraar, tekenleraar, wiskundeleraar
- biologieboek, biologieles, biologielerares, biologielokaal, biologieonderwijs
- Het woord biologieleraar staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
Categorieën:
- Woorden in het Nederlands
- Woorden in het Nederlands van lengte 14
- Woorden in het Nederlands met audioweergave
- Woorden met 6 lettergrepen in het Nederlands
- Woorden in het Nederlands met IPA-weergave
- Samenstelling in het Nederlands
- Zelfstandig naamwoord in het Nederlands
- Onderwijs in het Nederlands
- Beroep in het Nederlands
- Woordenlijst Nederlandse Taal