binnentrekken

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • bin·nen·trek·ken
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
binnentrekken
trok binnen
binnengetrokken
klasse 3 volledig

Werkwoord

binnentrekken

  1. ergatief een bepaald gebied betreden, gewoonlijk met de bedoeling er zich te vestigen
    • Bij de jaarwisseling van 406/407 zijn een groot aantal Germanen over de Rijn het Romeinse Rijk binnengetrokken. 

Gangbaarheid