binnenste

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • bin·nen·ste
Woordherkomst en -opbouw
  • afgeleid van binnenst met het achtervoegsel -e
  • is op te vatten als de verbogen overtreffende trap van het bijwoord binnen
enkelvoud meervoud
naamwoord binnenste binnenstes
binnensten
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

binnenste o

  1. inwendige
    • Het binnenste van de bonbon was gevuld met drank. 
Vertalingen

Bijvoeglijk naamwoord

binnenste

  1. verbogen vorm van de stellende trap van binnenst

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.