binnenhoofd

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • bin·nen·hoofd
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord binnenhoofd binnenhoofden
verkleinwoord binnenhoofdje binnenhoofdjes

Zelfstandig naamwoord

binnenhoofd o

  1. (scheepvaart) het aan binnenwater gelegen sluishoofd van een schutsluis, bij een sluis dat de overgang vormt tussen binnen- en buitenwater.
    • Het binnenhoofd grenst direct aan het binnenwater. 
Antoniemen
Verwante begrippen

Gangbaarheid

Meer informatie