biljetje

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • bil·jet·je

Zelfstandig naamwoord

biljetje o

  1. verkleinwoord enkelvoud van het zelfstandig naamwoord biljet

Gangbaarheid

95 % van de Nederlanders;
91 % van de Vlamingen.