bikkel

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • bik·kel
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘pikhouweel’ voor het eerst aangetroffen in 1567 [1]
  • [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord bikkel bikkels
verkleinwoord bikkeltje bikkeltjes

Zelfstandig naamwoord

bikkel m

  1. een klein klompje hard materiaal, meestal in de vorm van een botje dat gebruikt wordt om op te gooien in het bikkelspel
  2. overdrachtelijk iets erg hards
    • Dat is zo hard als een bikkel. 
  3. een persoon met heel veel doorzettingsvermogen, iemand die heel stoer is
    • Tussen de weeën door praatten ze over de huizenmarkt. Ik had geen verdoving nodig; ik wilde zelfs geen paracetamol toen het voorbij was. 'Je bent een bikkel,' zei mijn arts hoofdschuddend.[3]
    • Mijn vader zegt dat dragers van de bollentrui echte bikkels zijn. Ik weet niet of ik een bikkel ben, ik vind vooral de rode bollen op de witte ondergrond heel mooi.[4]
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
bikkelen

bikkel

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van bikkelen
    • Ik bikkel. 
  2. gebiedende wijs van bikkelen
    • Bikkel! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van bikkelen
    • Bikkel je? 

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
91 % van de Vlamingen.[5]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. "bikkel" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
  2. bikkel op website: Etymologiebank.nl
  3. Bronlink Weblink bron Florence Williams “Borsten: een natuurlijke en onnatuurlijke geschiedenis” (2012), Singel Uitgeverijen, ISBN 9029586346, p. 150
  4. Bronlink Weblink bron Barbara Scholten “Rugnummers en teamwork” (2014), Ploegsma, ISBN 9021672588, p. 5
  5. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be