bikar

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

IJslands

Uitspraak
Woordafbreking
  • bi·kar
Woordherkomst en -opbouw
  • Afkomstig van het Midellatijnse zelfstandige naamwoord bicarium (Nederlands = beker, kelk), dat van het Griekse zelfstandige naamwoord 'bikos' komt (Nederlands = aarden vat, vat met handvat)
Naar frequentie 8288
Klasse m1
sterk
enkelvoud meervoud
onbepaald bepaald onbepaald bepaald
nominatief   bikar     bikarinn     bikarar     bikararnir  
genitief   bikars     bikarsins     bikara     bikaranna  
datief   bikar     bikarnum     bikurum     bikurunum  
accusatief   bikar     bikarinn     bikara     bikarana  

Zelfstandig naamwoord

bikar, m

  1. beker
  2. kelk
  3. (plantkunde) bloemkelk
  4. (sport) beker, pokaal, trofee
Hyponiemen
Typische woordcombinaties
  • [1]: ís í bikar
ijs in een beker

Zelfstandig naamwoord

bikar

  1. datief onbepaald vrouwelijk enkelvoud van bikar

bikar

  1. accusatief onbepaald vrouwelijk enkelvoud van bikar