bijziendheid

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • bij·ziend·heid
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord bijziendheid -
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

bijziendheid v

  1. (medisch) een afwijking in de brandpuntsafstand van het oog waardoor alles op grotere afstand wazig gezien wordt
Synoniemen
Antoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.

Meer informatie