bijzet

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • bij·zet

Werkwoord

vervoeging van
bijzetten

bijzet

  1. (in een bijzin) eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van bijzetten
    • ... dat ik bijzet. 
  2. (in een bijzin) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van bijzetten
    • ... dat jij bijzet. 
  3. (in een bijzin) derde persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van bijzetten
    • ... dat hij bijzet. 

Gangbaarheid

97 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be