bijzaal

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • bij·zaal
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord bijzaal bijzalen
verkleinwoord bijzaaltje bijzaaltjes

Zelfstandig naamwoord

bijzaal v/m

  1. een kleinere zaal naast de grotere hoofdzaal
    • De nieuwe film over de paasgebruiken in Ootmarsum is een groot succes. Dat bleek woensdagavond in een tot de laatste plaats gevulde zaal Van der Maas. Er werd met twee schermen gewerkt, zodat het publiek in een bijzaal de film ook kon volgen. [1] 
    • Niehe noemde het trouwens een 'eyeopener dat in Nederland films met zulke passie worden gemaakt'. De uitreiking van de grote prijzen van de Nederlandse film is nog wel integraal online te volgen. Tijdens het laatste uur van het filmgala maakt Niehe in een bijzaal van de Stadsschouwburg Utrecht een speciale editie van de TV Show die wel live op NPO1 te zien is. [2] 
    • Bij kleinere debatten, buiten de bekende grote vergaderzaal, zaten minister en Kamerleden voorheen steevast in een halve kring. Maar in de bijzaal waar Wiebes moest opdraven, staan minister en parlementariërs sinds vorig jaar tegen over elkaar - achter een lessenaar. De Kamer hoopt zo het debat levendiger te maken. [3] 
    • Met opengesperde ogen schuifelt Alex Murdoch naar een lange tafel in een bijzaal van Broadhurst Park, het stadion van FC United of Manchester. Feilloos vindt hij tussen de verzameling vaantjes, krantenknipsels, programmaboekjes en veelal gesigneerde foto’s een afbeelding van een juichende George Best. [4] 
Antoniemen

Gangbaarheid

94 % van de Nederlanders;
94 % van de Vlamingen.

Verwijzingen