bijster

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • bijs·ter
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘bijwoord van graad: zeer’ voor het eerst aangetroffen in 1598 [1]
  • [2]
stellend
onverbogen bijster
verbogen (alleen
predicaat)

Bijvoeglijk naamwoord

bijster

  1. alleen predicatief + oorzakelijk voorwerp: iets bijster zijn: iets kwijtgeraakt zijn
    • Hij was het spoor bijster. 
Afgeleide begrippen

Bijwoord

bijster

  1. negatief: niet bijster: niet in bijzonder hoge mate
    • Hij was er niet bijster van onder de indruk. 
    • Hij maakte niet een bijster intelligente indruk. 
Afgeleide begrippen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
97 % van de Vlamingen.

Verwijzingen