bijsloot

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • bij·sloot

Werkwoord

vervoeging van
bijsluiten

bijsloot

  1. (in een bijzin) enkelvoud verleden tijd van bijsluiten
    • ... dat ik bijsloot. 
    • ... dat jij bijsloot. 
    • ... dat hij, zij, het bijsloot. 

Gangbaarheid

57 % van de Nederlanders;
61 % van de Vlamingen.