bietsen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • biet·sen
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
bietsen


bietste


gebietst


zwak -t volledig

Werkwoord

bietsen

  1. (overgankelijk) (informeel) bedelen om, (iets) afbedelen, klaplopen (heel vaak sigaretten)
    De jongen wilde zelf geen sigaretten meer kopen en ging dus de hele dag bij anderen sigaretten bietsen.
    Toen iedereen nog rookte en sigaretten heel goedkoop waren was het bietsen van sigaretten heel gewoon.
  2. (overgankelijk) (informeel) (iets) 'lenen' en niet teruggeven
    Als je een sigaret bietst kun je hem niet teruggeven.
    bietsen bij Woordenboek der Nederlandse taal (1500 tot ...)
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwijzingen
  1. etymologiebank.nl