bietsen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • biet·sen
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
bietsen
bietste
gebietst
zwak -t volledig

Werkwoord

bietsen

  1. overgankelijk (informeel) bedelen om, (iets) afbedelen, klaplopen (heel vaak sigaretten)
    • De jongen wilde zelf geen sigaretten meer kopen en ging dus de hele dag bij anderen sigaretten bietsen. 
    • Toen iedereen nog rookte en sigaretten heel goedkoop waren was het bietsen van sigaretten heel gewoon. 
  2. overgankelijk (informeel) (iets) 'lenen' en niet teruggeven
    • Als je een sigaret bietst kun je hem niet teruggeven. 
    bietsen bij Woordenboek der Nederlandse taal (1500 tot ...)
Hyponiemen
Afgeleide begrippen

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders
62 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. etymologiebank.nl